Als je niet praat, wordt er minder tegen je gepraat
Iedereen heeft behoefte aan contact. Als je niet praat, wordt er minder tegen je gepraat. Zonder verbinding met andere mensen kun je niet (of zeer lastig) leren, je ontwikkelen, werken of een zelfbewust persoon worden. Zonder communicatie is het voeren van eigen regie over je leven, over zorg, over vrije tijd niet mogelijk.
De meesten van ons kunnen communiceren door te praten. Het leren praten begint al vroeg. Van jongs af aan horen kinderen gesproken taal om zich heen en door de jaren heen kunnen ze zich daar steeds beter mee uiten. Maar wat als je autisme, een verstandelijke en/of motorische beperking hebt en niet (altijd) kunt spreken? Niet kunnen praten betekent niet dat je niets te zeggen hebt!
Isolement
Mensen die niet kunnen praten, lopen het risico om in een isolement te raken. Ze kunnen namelijk moeilijker aangeven wat hun gevoelens, interesses of behoeften zijn. In contact komen en blijven is moeilijker als er geen gedeelde vorm van communicatie is. Probleemgedrag is vaak een manier om te zeggen: ‘Nee, ik wil dit niet!’ of juist ‘Ik wil meedoen!’. Dus als iemand leert om dit op een gepaste manier te zeggen, voorkom je dat.
Als mensen niet kunnen praten, worden ze vaak op een lager (cognitief) niveau ingeschat. Ze krijgen vaak minder uitleg van de wereld om hen heen, bijvoorbeeld over de seizoenen, voertuigen, hoe dingen groeien en waarom de zon onder gaat. Ze krijgen daardoor minder kansen om zich te ontwikkelen.
Twijfel over diagnose verstandelijke beperking
Mensen met autisme die niet of nauwelijks spreken, worden regelmatig gezien als verstandelijk beperkt, zeker als zij laag scoren op een IQ-test. Deze standaardtest geeft niet altijd een goed beeld van wat iemand begrijpt. Iemand kan bijvoorbeeld overprikkeld zijn en informatie buiten houden om ergere overprikkeling te voorkomen.
Onderzoek in 2019 liet zien dat 60% van de ondervraagde ouders en professionals soms twijfelt over de diagnose verstandelijke beperking bij deze doelgroep. Terwijl deze diagnose grote gevolgen heeft voor het kind, bijvoorbeeld voor de toegang tot zorg en onderwijs.
Vormen
Als iemand niet kan praten, hoe weet je dan wat iemand voelt, denkt, snapt of wil zeggen? Hoe maak je contact met iemand die niet spreekt? Daarvoor zijn verschillende vormen van ondersteunde communicatie (OC) beschikbaar:
- Papieren hulpmiddelen (kaart met picto’s, letterkaart of alfabetpagina).
- Eenvoudige elektronische middelen.
- Gebaren, mimiek, iemand laten kiezen tussen 2 voorwerpen.
- Spraakcomputers.
Modelleren
Om een taal te leren, moet je erdoor omgeven worden. Kinderen leren spreken doordat er tegen hen gesproken wordt, dove kinderen leren gebarentaal doordat er in die taal met hen gecommuniceerd wordt. Iemand leert ondersteunde communicatie, doordat er ondersteunde communicatie met hem of haar gebruikt wordt. Dit heet modelleren.
Modelleren is het gebruikmaken van een vorm van ondersteunde communicatie, op het moment (of vlak na) dat het gesproken woord wordt uitgesproken. Tijdens het uitspreken van een woord, wordt bijvoorbeeld ook het gebaar van dat woord gemaakt of het bijbehorende pictogram aangewezen.
Modelleren heeft nog meer effect als:
- alle functies van communicatie aandacht krijgen (aangeven wat je wel en niet wil, vragen stellen, grapjes maken, informatie delen enz.);
- er voor veel woorden een gebaar, symbool of pictogram beschikbaar is waar de persoon zelf bij kan;
- het wordt aangevuld met andere strategieën (aansluiten bij de beleving, de ander de tijd geven om te reageren);
- er de hele dag wordt gemodelleerd, in diverse situaties door diverse mensen.
Gebruik OC, overal en altijd
Als we iemand met een communicatieve beperking niet omgeven met de enige taal waarin hij of zij zichzelf kan uitdrukken, zal deze waarschijnlijk via deze manier niet leren communiceren. Het wordt een self-fulfilling prophecy: we leren ze geen OC, ze gaan geen OC gebruiken, we concluderen dat ze geen OC kunnen gebruiken. Hierin is iemand met een communicatieve beperking niet anders dan een zich normaal ontwikkelend kind; dat gaat ook niet praten als er niet tegen hem of haar gesproken wordt.
Niemand is te beperkt, te jong of te oud om te starten met ondersteunde communicatie. Net zoals een baby ook niks hoeft te kunnen, voordat je tegen hem of haar praat.
Geef het niet te snel op
Het is belangrijk om de eerste weken, maanden en soms jaren nog niet te veel te verwachten. De persoon met een communicatieve beperking zal niet van de ene op de andere dag een ondersteunend communicatiehulpmiddel gaan gebruiken. Net zoals bij de normale taalontwikkeling van jonge kinderen kan het lang duren voordat een eerste woord of een eerste zin wordt gevormd. Er is veel taalaanbod vanuit de omgeving nodig om dit te bereiken. Hoelang het duurt voordat er vooruitgang wordt gezien, hangt af van de persoon zelf en van de omgeving. Geef het niet (te snel) op. Leren communiceren met een hulpmiddel heeft tijd nodig.
Meer informatie