Eetstoornissen: anorexia en ARFID
Mensen met autisme hebben een grotere kans om een eetstoornis te krijgen, zoals anorexia of ARFID. Lees meer over deze eetstoornissen.
Mensen met autisme hebben een grotere kans om een eetstoornis te krijgen, zoals anorexia of ARFID. Lees meer over deze eetstoornissen.
Eetstoornissen zijn ernstige problemen met eten. Bij autisme komen vooral 2 eetstoornissen vaker voor: anorexia nervosa en ARFID. Bij anorexia wil je steeds minder eten om af te vallen. Bij ARFID lukt het je niet om bepaald voedsel te eten, of je bent er bang voor.
Uit onderzoek blijkt dat een deel van de mensen met anorexia ook autisme heeft. Tussen de 4 en 10% van de mensen met anorexia, heeft ook autisme. En mensen met een eetstoornis én autisme hebben vaker een chronische eetstoornis. Dat betekent dat de eetstoornis lang blijft bestaan.
Anorexia bij autisme kan op verschillende manieren ontstaan. Vaak begint het tijdens de puberteit. De puberteit is een periode met veel veranderingen. Veel jongeren met autisme hebben moeite met de lichamelijke veranderingen in de puberteit. Bij meisjes kan het krijgen van borsten, heupen en billen bedreigend voelen. Door te lijnen probeer je deze veranderingen tegen te gaan. Je wil je kinderlichaam houden, omdat dat bekend en veilig voelt. Ook jongens kunnen anorexia hebben.
Anderen oorzaken va anorexia kunnen zijn:
erbij willen horen;
emoties dempen door niet te eten;
prikkels dempen door niet te eten;
te veel focussen op gewicht of eten/niet eten door speciale interesse.
Als je eenmaal begint met afvallen, kan dit snel een obsessie worden. Mensen met autisme kunnen goed doorzetten. Daarom lukt afvallen vaak goed. Ook heb je soms minder hongergevoel, waardoor afvallen makkelijker wordt. Als je gewicht lager wordt, werkt dit belonend. Met ondergewicht komen er minder prikkels binnen. Je raakt in een roes die prettig voelt.
Bij de meeste mensen speelt de behoefte aan controle een rol bij het ontstaan van anorexia. Je mist misschien controle op andere gebieden in je leven. Dit kan komen door ingrijpende gebeurtenissen in de familie of door onzekerheid op sociaal gebied. Door controle te krijgen over je eten, voel je je beter. Je lichaam wordt voorspelbaar tijdens het lijnen. Je weet precies wat je eet en hoeveel je eet. Dit kan een fijn gevoel geven.
Misschien geeft het dagelijks leven te veel stress, word je overvraagd. Zit je niet op een opleiding die bij je past. Wordt er structureel te veel van je geëist (ook van jezelf), is er te weinig voorspelbaarheid in je leven of vervul je zoveel rollen dat je het overzicht kwijtraakt (moeder, dochter, vriendin, collega, mantelzorger). Soms kan de focus op eten, of niet eten, dan een gevoel van controle geven in zo'n lastige situatie.
Bij sommige mensen met autisme en anorexia speelt perfectionisme een rol. Je kunt niet een béétje lijnen. Je wil het meteen perfect doen. Je bent streng voor jezelf en stelt soms onmogelijke eisen. Het gevaar is dat je niet meer kunt stoppen met afvallen als je eenmaal ondergewicht hebt. Het is te belonend.
Bij de meeste mensen spelen negatieve emoties een rol. Je wil somberheid, angsten, eenzaamheid of onmacht niet voelen. Ook veel spanning door sociale interactie of veranderingen kan een rol spelen. Het focussen op eten helpt om emoties weg te stoppen en biedt troost.
Veranderingen spelen ook een rol bij het ontstaan van anorexia. Denk aan een verhuizing, scheiding van ouders, overlijden van gezinsleden, verandering van school of relaties. Ook op jezelf gaan wonen kan moeilijk zijn. De praktische zaken rondom eten kopen en bereiden zijn lastig. Dit kan leiden tot het vasthouden aan vaste producten en vaste rituelen.
Bijna alle vrouwen met autisme en anorexia geven aan dat onzekerheid in sociaal contact bijdraagt aan hun eetstoornis. Je kopieert sociaal gedrag van anderen omdat je zelf niet goed weet wat hoort. Het niet jezelf kunnen zijn geeft extra spanning. De eetstoornis gaat dienen als troost en afleiding. Ook geeft het een gevoel van ergens goed in zijn. Daarnaast is er vaak een drang om ‘erbij te horen’. Veel mensen met anorexia maken zich grote zorgen om hun uiterlijk, hun gewicht en hun figuur.
Bij autisme werkt anorexia soms net even anders dan bij mensen zonder autisme. Daarom helpt de gewone behandeling voor anorexia vaak niet goed bij mensen met autisme.
ARFID is de afkorting van Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder. In het Nederlands heet dit vermijdende restrictieve voedselinnamestoornis. Bij ARFID eet je veel voedsel niet. Het lukt je niet of je bent bang om het te eten. Daardoor eet je te weinig en krijg je te weinig voedingsstoffen binnen.
Bij ARFID kun je dit merken:
Je eet bepaald voedsel niet door de geur, kleur of smaak.
Ook kan de temperatuur storend zijn (hoe warm of koud het eten is), of hoe het aanvoelt in je mond.
Je bent misschien bang om te slikken of te stikken.
Je bent bang om buikpijn te krijgen, over te geven of een allergische reactie te krijgen.
Je kunt wel veel verschillende dingen eten, maar te weinig. Je valt daardoor af of je groeit slecht.
Soms eet je te veel van dezelfde producten. Je bent dan niet te licht, maar je krijgt wel te weinig verschillende voedingsstoffen binnen.
Misschien heb je geen interesse in eten of beleef je geen plezier aan eten.
Je vergeet te eten omdat je geen honger voelt.
ARFID komt waarschijnlijk door een combinatie van dingen:
Je hebt geen gevoel van honger. Je kunt hiermee geboren zijn. Als baby at je dan al heel weinig.
Je hebt een gevoelige mond. Je bent bijvoorbeeld heel gevoelig voor de smaak en de textuur van eten.
Je bent van jezelf sneller angstig. Je reageert dan ook banger als je iets nieuws te eten krijgt.
Ook kunnen nare ervaringen met eten een rol spelen. Denk aan sondevoeding als baby, je heel erg verslikt hebben of heel ziek zijn geweest van bepaald eten.
Vaak zijn mensen met ARFID zo bang om nieuwe producten te proeven dat ze er niet eens aan beginnen. Door deze angst ontwijken ze vaak sociale eetgelegenheden. Feestjes, logeerpartijen of op kamp met de klas zijn vaak onmogelijk. Sociale isolatie en eenzaamheid komen dan ook veel voor.
Angst speelt bij kinderen met ARFID een grote rol. Bij kinderen die in een tijdelijke kieskeurige fase zitten, speelt angst een minder grote rol. Ook zijn de problemen bij hen vaak tijdelijk.
ARFID kan problemen geven voor je lichaam. Je lichaam krijgt te weinig voedingsstoffen. Je valt af en je weegt te weinig voor je lengte en leeftijd. Als je jong bent, groei je niet goed. Of misschien word je te zwaar als je alleen bepaalde dingen kunt eten.
Ook kan ARFID problemen geven met hoe je je voelt. Je kunt of durft niet samen met andere mensen te eten. Je bent daardoor veel alleen. Je kunt je eenzaam en somber gaan voelen. Het wordt moeilijker om vrienden te krijgen of te houden.
Lees meer over eetproblemen bij vrouwen met autisme in het proefschrift van Sabrina Schröder: Understanding Eating Behaviours in Autistic Women with Eating Disorders.
Twijfel je over wat je moet doen? Of weet je niet waar je moet beginnen? Dan kun je ons altijd bellen of mailen.
Deze website maakt gebruik van cookies om goed te functioneren. Als je wilt aanpassen welke cookies we mogen gebruiken, kan je jouw cookie-instellingen wijzigen. Meer informatie is beschikbaar in onze privacyverklaring.